Het vijfde kabinet-Colijn wordt direct bij zijn eerste optreden weer naar huis gestuurd. Het is buiten partijen om gevormd door Colijn, die volgens eigen zeggen de hem gegeven formatieopdracht heeft aanvaard als ware het een koninklijk bevel. Het kabinet telt meer liberalen (vooral partijloze oud-Indische bestuurders) dan er in de Tweede Kamer zitten.
De val van het kabinet wordt bewerkstelligd door aanneming van een door RKSP-fractievoorzitter Deckers ingediende motie, waarin het optreden van het kabinet wordt afgekeurd. Deze krijgt steun van de RKSP, SDAP, VDB, CDU en Communisten. Tegen stemmen ARP, CHU en Liberale Staatspartij, NSB en SGP.
Na de val van het vierde kabinet-Colijn wordt de minister-president benoemd tot formateur. Hij stuurt aan op een kabinet van de zes grote partijen. RKSP, SDAP en VDB wijzen dit af.
De koningin raadpleegt hierna op 7 juli in een gezamenlijk overleg haar belangrijkste adviseurs, de voorzitters van Eerste en Tweede Kamer, de vice-president van de Raad van State en de liberale minister van Staat, Fock. Een concrete oplossing weten zij niet aan te dragen.
Hierna wordt oud-Kamervoorzitter Koolen (RKSP) tot formateur benoemd, die echter geen succes heeft.
Colijn krijgt wederom een formatieopdracht. Hij streeft naar een kabinet dat los staat van de Tweede-Kamerfracties en waarvan de ministers op persoonlijke titel worden benoemd. Katholieken en vrijzinnig-democraten (onder wie Oud) weigeren zitting te nemen in het kabinet. Naast drie zittende ministers (Van Boeyen, Van Dijk en Patijn) en de liberale oud-minister Van Lidth de Jeude worden personen van buiten de politiek aangezocht.