| - | |
advocaat en procureur te Leiden, van 26 november 1897 tot 1 juni 1916 (sinds 1905 liet hij de praktijk over aan zijn compagnon Mr. F.A. Barge) |
| - | |
lid gemeenteraad van Leiden, van 26 september 1899 tot 18 juni 1903 |
| - | |
wethouder (van burgerlijke stand, sociale aangelegenheden en openbare hygiëne) van Leiden, van 26 september 1901 tot 18 juni 1903 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Almelo, van 24 februari 1903 tot 20 juni 1916 |
| - | |
directeur Centraal Bureau van de KSA (Katholieke Sociale Actie) te Leiden, van 16 oktober 1905 tot 25 september 1918 |
| - | |
hoogleraar handelsrecht, staatshuishoudkunde, arbeids- en fabriekswetgeving en het mijnrecht, Technische Hogeschool te Delft, van 1 juni 1916 tot 25 september 1918 |
| - | |
minister van Arbeid, van 25 september 1918 tot 24 november 1922 (naam departement gewijzigd) |
| - | |
minister van Arbeid, Handel en Nijverheid, van 24 november 1922 tot 4 augustus 1925 |
| - | |
hoofdredacteur dagblad "Het Centrum", van 15 augustus 1925 tot 1 april 1929 |
| - | |
lid Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 15 september 1925 tot 9 november 1937 |
| - | |
fractievoorzitter RKSP Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 14 september 1931 tot 7 mei 1936 |
| - | |
voorzitter Tweede Kamer der Staten-Generaal, van 7 mei 1936 tot 9 november 1937 |
| - | |
lid Raad van State, van 10 november 1937 tot 1 april 1946 (benoemd bij K.B. van 20 oktober 1937) |
| - | |
regent Brouchovenhofje te Leiden |
| - | |
regent R.K. Wees- en Oudeliedenhuis te Leiden |
| - | |
secretaris Vereeniging tot bestrijding van drankmisbruik "Het Kruisverbond" |
| - | |
lid bestuur Vereeniging tot bevordering van de bouw van werkmanswoningen te Leiden |
| - | |
commissaris stedelijke lichtfabrieken Leiden en museum "de Lakenhal" |
| - | |
lid plaatselijke commissie van toezicht op het middelbaar onderwijs te Leiden |
| - | |
lid plaatselijk comité Katholiekendagen bisdom Haarlem |
| - | |
agent Levensverzekeringsbank Amsterdam, van 1899 tot 1904 |
| - | |
lid bestuur Centraal Bureau voor Sociale Adviezen te Amsterdam, van 1899 tot 1914 |
| - | |
(hoofd)redacteur Katholiek Sociaal Weekblad "De Voorhoede", van 1902 tot 1929 |
| - | |
lid bestuur Internationaal Middenstands Instituut, vanaf 1903 (tot omstreeks 1940) |
| - | |
lid commissie voor handeldrijvende en industriële middenstand, 1904 |
| - | |
eigenaar/(president-)commissaris N.V. Uitgeversmaatschappij "Futura", van 1904 tot 1924 |
| - | |
lid hoofdbestuur Vereeniging tot bestrijding van het Neo-Matlthusanisme, omstreeks 1904 |
| - | |
secretaris Stichtingscomité Katholieke Sociale Actie, van 4 mei 1904 tot 9 juli 1905 |
| - | |
lid Staatscommissie inzake de werkloosheid (Staatscommissie-Treub), van 23 oktober 1909 tot juni 1914 |
| - | |
lid Staatscommissie tot voorbereiding van de overgangsbepalingen van de Auteurswet 1912, van 1912 tot 1915 |
| - | |
lid Raad van Commissarissen gas- en electriciteitsfabrieken van de gemeente Leiden, van 1912 tot 1915 |
| - | |
lid curatorium Gymnasium te Leiden, omstreeks 1915 |
| - | |
lid Commissie van Advies inzake de Auteurswet 1912, van 1915 tot 1918 |
| - | |
lid/president Raad van Commissarissen Maatschappij N.V. "De Katholieke Illustratie", van 1915 tot 1932 |
| - | |
lid Centrale Commissie voor de Statistiek, van 1912 tot 1918 |
| - | |
lid curatorium R.K. Leergangen te 's-Hertogenbosch/Tilburg, van 1913 tot 1938 |
| - | |
lid Raad van Toezicht Algemene Nederlandse Centrale Middenstands-Credietbank, van 1915 tot 1916 |
| - | |
lid algemeen bestuur Nederlandse Verenging voor Hoger Handelsonderwijs, van 1917 tot 1935 |
| - | |
lid hoofdstembureau kieskring Leiden, vanaf 1918 |
| - | |
voorzitter Spaarfonds voor Bodemcultuur, van 1918 tot 1922 |
| - | |
lid Raad van Commissarissen De Onderlinge Spaarkas voor het Koninkrijk der Nederlanden, van 1918 tot 1928 |
| - | |
voorzitter Hoge Raad van Arbeid, van 14 februari 1920 tot 1925 |
| - | |
voorzitter Centraal Comité voor steun aan Nederlanders in den Vreemde, van 1920 tot 1925 |
| - | |
lid Raad van Advies Vereniging "Het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief", van 1922 tot 1937 |
| - | |
lid Hoge Raad van Arbeid, van 1925 tot november 1931 |
| - | |
lid Prijzencommissie, 1925 |
| - | |
lid Centrale Commissie voor de Drinkwatervoorziening, van 9 december 1925 tot 1948 |
| - | |
lid bestuur Vereniging tot Verpleging van Krank- en Zwakzinnigen op het land Coudewater te Rosmalen, vanaf 1925 |
| - | |
lid Commissie van Toezicht Vereniging voor Misvormden, exploitante van de Annakliniek voor orthopaedie te Oegstgeest, van 1925 tot 1938 |
| - | |
voorzitter Centrale Commissie voor de Statistiek, van 6 januari 1926 tot 1948 |
| - | |
Rijksbemiddelaar, vierde district (Limburg, Noord-Brabant, Zeeland), van 1 mei 1926 tot 1936 |
| - | |
lid Raad van Beheer Stichting Economisch Instituut voor de Middenstand, van 1926 tot 1932 |
| - | |
lid Raad van Toezicht en Advies Federatie van Handels- en Kantoorbediendenverenigingen in Nederland, vanaf 1926 (nog in 1940) |
| - | |
rechtskundig adviseur R.K. Vakbureau |
| - | |
rechtskundig adviseur Federatie R.K. Middenstandsbonden |
| - | |
rechtskundig adviseur Hanze te Haarlem |
| - | |
lid bestuur Jaarbeurs te Utrecht |
| - | |
medewerker/columnist "De Maasbode", "De Tijd", "Het Centrum" en "Brabantsch Nieuwsblad" |
| - | |
lid Raad van Commissarissen dagblad "De Grondwet" (/(omstreeks: 00-00-1926)/) |
| - | |
lid bestuur Stichting "Het Borromaeusfonds" (jaren'30) |
| - | |
lid Raad van Commissarissen N.V. Quenasttegel- en Betonwarenfabriek Amsterdam, van 1928 tot 1942 |
| - | |
lid bestuur Nederlands Nationaal Comité der Internationale Vereeniging voor Wetenschappelijke Studie van het Bevolkingsvraagstuk, van 1928 tot 1943 |
| - | |
lid Raad van Toezicht R.K. Handelshogeschool te Tilburg, van 1928 tot 1947 |
| - | |
voorzitter Nederlandse Vereniging tot bevordering van de arbeid voor onvolwaardige arbeidskrachten (AVO), 1930 |
| - | |
voorzitter Centraal College voor Medisch Tuchtrecht, van 1 juli 1930 tot 1947 |
| - | |
voorzitter bijzondere commissie voor georganiseerd overleg in ambtenarenzaken voor het personeel van de Algemeene Landsdrukkerij, omstreeks 1931 |
| - | |
voorzitter Hoge Raad van Arbeid, van 14 november 1931 tot mei 1940 |
| - | |
regeringsgedelegeerde Internationale Arbeidsconferentie te Genève, van december 1931 tot 1939 |
| - | |
voorzitter Nederlandse Vereniging tot bevordering van de arbeid voor onvolwaardige arbeidskrachten (AVO), 1932 |
| - | |
kabinetsformateur, van 26 juli 1935 tot 27 juli 1935 |
| - | |
lid Staatscommissie inzake de Grondwetsherziening (Staatscommissie-De Wilde), van 24 januari 1936 tot 8 juni 1936 |
| - | |
lid Staatscommissie inzake concentratie van scholen voor bijzonder lager onderwijs, van 4 februari 1936 tot mei 1936 |
| - | |
voorzitter comité standbeeld voor Mgr.dr. W.H. Nolens, 1936 |
| - | |
voorzitter Mijnraad, van mei 1936 tot 1946 |
| - | |
lid Raad van Vereniging "De Nederlandse Padvinders", van 1936 tot 1947 |
| - | |
lid Staatscommissie inzake de vaccinatie (Staatscommissie-Romme), van 28 januari 1938 tot 1941 |
| - | |
voorzitter Algemeen Comité 'Actie Naar de Nieuwe Gemeenschap', vanaf 19 december 1938 (R.K. actie voor sociale samenwerking) |
| - | |
lid curatorium Instituut voor Sociaal Onderzoek van het Nederlandse Volk, van 1941 tot 1947 |
| - | |
waarnemend secretaris Indische Missievereeniging, 1945 |
| - | |
waarnemend secretaris Centraal Koloniaal Katholiek Bureau, 1945 |
| - | |
lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van maart 1914 tot september 1914 (voorzitter tweede afdeling) |
| - | |
lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van januari 1916 tot april 1916 (voorzitter eerste afdeling) |
| - | |
lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van september 1925 tot januari 1926 (voorzitter tweede afdeling) |
| - | |
voorzitter Commissie van Voorbereiding voor het wetsontwerp wijziging van de Woningwet (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van maart 1930 tot januari 1931 |
| - | |
lid Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van september 1931 tot april 1936 |
| - | |
voorzitter Commissie van Voorbereiding voor het wetsontwerp instelling bedrijfsraden (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van december 1931 tot september 1932 |
| - | |
voorzitter Commissie van Voorbereiding voor het wetsontwerp wijziging Ziektewet (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van februari 1932 tot september 1934 |
| - | |
voorzitter vaste commissie voor de Staatsuitgaven (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van juni 1932 tot 7 mei 1936 |
| - | |
voorzitter Centrale Afdeling (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van 7 mei 1936 tot 9 november 1937 |
| - | |
voorzitter Huishoudelijke Commissie (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van 7 mei 1936 tot 9 november 1937 |
| - | |
voorzitter vaste commissie voor Buitenlandse Zaken (Tweede Kamer der Staten-Generaal), van 7 mei 1936 tot 9 november 1937 |
| - | |
lid afdeling Binnenlandse Zaken (Raad van State) |
| - | |
lid afdeling Financien (Raad van State) |
| - | |
lid afdeling Justitie (Raad van State) |
| - | |
lid afdeling Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (Raad van State) |
| - | |
lid afdeling Sociale Zaken (Raad van State) |
| - | |
lid afdeling geschillen van bestuur (Raad van State) |
| - | |
Stelde in 1919 de Hoge Raad van Arbeid in. Deze bestond uit vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers, van de landbouw- en middenstandsorganisatie en uit onafhankelijke leden en adviseerde over vraagstukken op het gebied van arbeid en sociale zekerheid. |
| - | |
Bracht in 1919 de Arbeidswet (wet van 1 november 1919 tot beperking van de arbeidsduur en het tegengaan van kinderarbeid) tot stand. De wet bevatte een verbod op arbeid door kinderen onder de 14 jaar. Er kwam een achturige werkdag en 45-urige werkweek voor fabrieksarbeiders en kantoorpersoneel. De maximum werkdag voor winkel- en horecapersoneel werd tien uur. De wet bepaalde tevens dat vrouwen 8 weken na de bevalling niet mochten werken. Ook de rust- en arbeidstijden in het bakkersbedrijf werden geregeld. |
| - | |
Bracht in 1919 de Werkloosheidsverzekeringsnoodwet tot stand, op grond waarvan tijdelijk steun werd verleend aan gemeentelijke werkloosheidskassen |
| - | |
Bracht in 1919 een wijziging van de Invaliditeits- en ouderdomswet van Talma tot stand, waardoor er naast de Invaliditeitswet een afzonderlijke Ouderdomswet 1919 (Stb. 628) werd ingevoerd. Deze regelde de vrijwillige verzekering tegen ouderdom van niet-loontrekkenden. Er kwamen verder wezen- en weduwenrenten. De pensioenleeftijd ging van 70 naar 65 jaar. De wetten traden 3 december 1919 in werking. |
| - | |
Bracht in 1919 de Wet op de drinkwaterleidingen tot stand, waardoor het Rijk ging bijdragen aan de aanleg van waterleidingen |
| - | |
Bracht in 1919 de Warenwet tot stand. Deze geeft een wettelijke basis aan de (regionale) Keuringsdiensten van Waren, die de kwaliteit van voedingsmiddelen moeten bewaken. |
| - | |
Bracht in 1919 samen met minister Van IJsselsteyn de Vleeskeuringswet tot stand. Deze regelt de keuring van vlees van slachtdieren (runderen, schapen, geiten, varkens, paarden) voor en na het slachten. Keuring is nodig tot wering van vlees en vleeswaren die schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Met de keuring worden gemeentelijke keuringsdiensten belast. |
| - | |
Bracht in 1919 de Opiumwet tot stand, waardoor het gebruik en bezit van, en de handel in opium en opiumproducten in het rijk in Europa wordt verboden. Er wordt een uitzondering gemaakt voor geneeskundige toepassingen. |
| - | |
Bracht in 1919 de Wet inzake Staatstoezicht op de Volksgezondheid tot stand. Deze stelt een Gezondheidsraad in en belast de hoofdinspecteur en inspecteurs van volksgezondheid, alsmede gezondheidsraden met de handhaving van de regelgeving op het gebied van de volksgezondheid |
| - | |
Bracht in 1921 de Wet tot bescherming van het diploma van verpleegkundigen tot stand |
| - | |
Bracht in 1922 de Landbouwongevallenwet tot stand, die ook de landbouwers een verzekering tegen invaliditeit bezorgde. De uitvoering werd opgedragen aan bedrijfsverenigingen. |
| - | |
Bracht in 1923 de Arbeidsgeschillenwet tot stand. Deze wet riep de functie rijksbemiddelaar in het leven, die in geval van een arbeidsconflict arbitrage door een bemiddelaar konden bevorderen of eventueel zelf konden bemiddelen. |